De Engelse hangoor is een van de oudste konijnenrassen die er bestaan. Omdat dit bijzondere ras zo weinig verbreid is, krijgt de bezoeker deze konijnen helaas maar zelden op tentoonstellingen te zien, laat staan dat je als keurmeester de kans krijgt om ze zelf eens te keuren. Ik heb al van menige collega-keurmeester gehoord dat ze ondanks hun jarenlange ervaring nog nooit of maar heel zelden een Engelse hangoor hebben gekeurd. Des te belangrijker is het om actief aan scholing te doen, of dat nu in de vereniging is, in de keurmeestersgroep of bij een fokker van dit ras in de buurt. Dat blijkt niet alleen uit ervaringen op regionaal niveau: tot aan de Duitse nationale tentoonstelling toe wordt duidelijk hoe belangrijk het is om je vooraf te verdiepen in de keuring van de Engelse hangoor, om schipbreuk te voorkomen en voor iedereen een objectief beoordelingsbeeld te waarborgen. Ik wil hier een kleine inkijk geven in het correct meten van de oren, om te laten zien hoe makkelijk dat gaat als je op een paar kleinigheden let.
Voorwaarde is, zoals bij zoveel dingen, het juiste gereedschap. De duimstok moet uit leden van 20 cm bestaan en stevig zijn, dat wil zeggen dat hij moet blijven staan zonder veel door te buigen. Het is aan te raden om van een duimstok van 2 m twee stukken te maken door telkens bij 70 cm het betreffende lid netjes af te zagen. Zo krijg je een stevige meetlat die handzaam genoeg is en toch lang genoeg om goed te kunnen meten.
“De oorlengte wordt met de duimstok over de kop van het dier van de ene punt naar de andere gemeten. Daarbij worden de oren met de gehooropening naar voren en zonder draaiing tegen de duimstok gelegd. De oren worden bij het meten licht aangetrokken.” Tot zover de tekst van de standaard.
Over het woordje “trekken” verschillen de meningen. Misschien zou “licht strak trekken” of “licht spannen” treffender zijn.


Omdat onze Engelse hangoren nogal levendige karakters zijn, kun je het beste de helper aan de keurtafel of een fokkersvriend vragen om het dier in de nek of aan het achterlijf vast te houden, zodat je in alle rust de oren echt precies horizontaal kunt houden. Daar hebben de meeste keurmeesters echt moeite mee. Het is geen schande om de helper om hulp te vragen; het zou toch jammer zijn om de oren maar vluchtig te meten en een ongeveer-resultaat te noteren. Hoe snel mis je daardoor een of twee punten, en komt het dier maar met een zwak resultaat over de streep. Sommige rassen vragen bij de keuring nu eenmaal wat meer tijd om alle posities correct te beoordelen, dus laten we die tijd gewoon nemen.
De oorbreedte wordt gemeten op de breedste plek van het oor, zonder beharing. We meten de binnenkant, dus de gehooropening. Ook hierbij moet het oor goed worden uitgespreid en moet de duimstok echt precies dwars op het in de lengte lopende oor worden gehouden.



Dan nog een opmerking: de oorbreedte verschilt bij sommige dieren tussen rechts en links. Een rechtshandige meet meestal het linkeroor, een linkshandige het rechteroor. Maar het moet ook geen wetenschap worden, daarom noem ik het hier alleen voor de volledigheid.

Hieronder foto’s van geschikte en minder geschikte meetinstrumenten


